Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
2 juli 2013.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het op 13 januari 2005 wegnemen van geld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, waarbij zij zich toegang verschafte met een valse sleutel. Het hof baseerde zich op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen, bankafschriften en handelsregistergegevens.
De verdachte voerde verweer dat zij in overleg met het interim-bestuur tot 31 januari 2005 bevoegd was om de financiële zaken van de motorclub af te wikkelen en dat de kasopname ten behoeve van de motorclub was gedaan. Het hof liet de juistheid van deze stelling in het midden maar oordeelde toch dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bewezen was.
De Hoge Raad oordeelt dat het bewijs onvoldoende is om het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening zonder meer aan te nemen, mede gelet op het verweer van de verdachte en het ontbreken van concrete onderbouwing waarom het geld is opgenomen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en afdoening.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.