Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2013:1035

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 2013
Publicatiedatum
24 oktober 2013
Zaaknummer
13/03497
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 288 lid 2 onder d Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in verzoek toelating schuldsanering

In deze zaak heeft verzoeker cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake de afwijzing van een verzoek tot toelating tot de schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten in de zaak voor de feitelijke gang van zaken.

De Procureur-Generaal heeft betoogd dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering (RO), omdat verzoeker onvoldoende belang heeft bij de behandeling van het beroep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Verzoekers advocaat heeft hierop gereageerd, maar de Hoge Raad volgt het standpunt van de Procureur-Generaal.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet behandeld. Het arrest is op 25 oktober 2013 gewezen en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en onvoldoende gronden.

Uitspraak

25 oktober 2013
Eerste Kamer
13/03497
EV/GB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.J.G. Schroeder.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaken C/09/441216/FT RK 13/915 en 13/917 van de rechtbank Den Haag van 7 juni 2013;
b. het arrest in de zaak 200.128.620/01 van het gerechtshof Den Haag van 9 juli 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Tevens heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 20 september 2013 op dat standpunt gereageerd.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Nu het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, behoeft het door [verzoeker] gedane verzoek om een voorlopige voorziening geen behandeling.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
25 oktober 2013.