ECLI:NL:HR:2012:BY8147
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrekbaarheid periodieke schenking en verplichting tot betaling schenkingsrecht
De zaak betreft een periodieke schenking van certificaten van aandelen door de grootmoeder van de echtgenote van belanghebbende aan een stichting, met jaarlijkse overdracht over vijf jaar vanaf 2001, afhankelijk gesteld van levensduur van de grootmoeder en haar zoon. Grootmoeder overleed in 2002, waarna belanghebbende voor 17/100e gerechtigd was tot de nalatenschap, inclusief de verplichting tot uitkering van resterende termijnen en betaling van het schenkingsrecht.
Belanghebbende bracht de tweede en derde termijn en de aanslag in het recht van schenking als aftrekbare giften in bij zijn aangifte inkomstenbelasting 2003. Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, het hof oordeelde dat toetsing aan vrijgevigheid en vaste periodieke verstrekkingen plaatsvindt bij schenking en dat de tweede termijn niet aftrekbaar was in 2003 omdat deze in 2002 rentedragend werd. Tevens oordeelde het hof dat de verplichting tot betaling van de aanslag onder algemene titel op erfgenamen overging, waardoor belanghebbende de aftrek kon toepassen.
De A-G concludeerde dat de uitkeringen berusten op een notariële schenkingsovereenkomst die niet vereist dat uitkeringen jaar voor jaar zijn voldaan, dat vrijgevigheid bij schenking vaststaat, en dat de betaling van het schenkingsrecht door erfgenamen niet als een andere gift kan worden aangemerkt. De conclusie was dat het cassatieberoep van de Staatssecretaris gegrond moet worden verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen.