ECLI:NL:HR:2012:BY5303
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- Y. Buruma
- J. Wortel
- V. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot horen van onaangekondigde getuige in hoger beroep
In deze strafzaak werd het verzoek van de verdediging om een getuige te horen die later en onaangekondigd ter terechtzitting verscheen, afgewezen door het hof. De verdediging voerde aan dat deze getuige als meegebrachte getuige moest worden beschouwd, waardoor het criterium van verdedigingsbelang van toepassing zou zijn in plaats van het noodzakelijkheidscriterium.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest het wettelijke kader rondom het horen van getuigen ter terechtzitting nader toegelicht. Daarbij werd benadrukt dat de voorzitter van de terechtzitting onmiddellijk na de voordracht van het openbaar ministerie vaststelt welke personen als getuigen zijn verschenen, waaronder ook de getuigen die de verdachte op grond van art. 260, vierde lid, Wetboek van Strafvordering meegebracht heeft. Een getuige die later en onaangekondigd verschijnt, valt hier niet onder.
Het hof had vastgesteld dat de betreffende getuige niet op tijd was aangekondigd en daarom niet als meegebrachte getuige kon worden aangemerkt. Het hof paste vervolgens het juiste criterium toe door het verzoek tot het horen van deze getuige af te wijzen omdat het niet noodzakelijk was voor de zaak. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de juiste rechtsopvatting en toepassing van het wettelijke kader.
De uitspraak verduidelijkt de procedurele regels omtrent het horen van getuigen in hoger beroep en bevestigt dat het noodzakelijkheidscriterium geldt voor getuigen die niet tijdig zijn aangekondigd, waarmee het belang van een ordentelijke procesvoering wordt gewaarborgd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot het horen van de onaangekondigde getuige wordt terecht afgewezen.