ECLI:NL:HR:2012:BY2239
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens ontbreken handtekening advocaat bij Hoge Raad
Verzoeker stelde op de op een na laatste dag van de termijn beroep in cassatie in, maar het verzoekschrift was niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist volgens art. 426a lid 1 Rv. Dit gebrek kon binnen twee weken worden hersteld door een nieuw verzoekschrift met de juiste ondertekening, maar verzoeker maakte hier geen gebruik van.
Verzoeker voerde aan dat deze eis in strijd zou zijn met het Europese mededingingsrecht, met name art. 5 lid 3 van Pro richtlijn 98/5/EG, die de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in andere lidstaten vergemakkelijkt. De Hoge Raad oordeelde echter dat de nationale regeling, die de verplichte vertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad voorschrijft, gerechtvaardigd is ter bevordering van de goede werking van de rechtspleging.
Daarmee is de eis niet in strijd met het Europese recht en is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Streefkerk, Snijders en Polak en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Van Oven op 14 december 2012.
Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de vereiste ondertekening door een advocaat bij de Hoge Raad.