ECLI:NL:HR:2012:BX4467

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04603
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 378a SvArt. 410 SvArt. 410a SvArt. 422 SvArt. 14, vijfde lid, IVBPR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling stempelvonnis en verlofstelsel in hoger beroep strafzaak

In deze strafzaak werd de verdachte door de politierechter veroordeeld voor medeplegen van handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Het vonnis werd als stempelvonnis ex art. 378a Sv gewezen. De Officier van Justitie stelde hoger beroep in tegen de opgelegde straf, en het hof verleende verlof ex art. 410a Sv om het hoger beroep te behandelen.

De verdediging klaagde dat het hof ten onrechte het hoger beroep inhoudelijk behandelde zonder beschikking over een uitgewerkt vonnis en proces-verbaal van de eerste aanleg, en dat dit in strijd zou zijn met het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in het IVBPR. Tevens werd verzocht om terugwijzing van de zaak naar de politierechter.

De Hoge Raad oordeelde dat bij toepassing van een stempelvonnis op grond van art. 422 Sv Pro de beraadslaging in hoger beroep uitsluitend plaatsvindt op basis van het onderzoek in hoger beroep. Het hof heeft geen onjuiste rechtsopvatting gegeven door het verweer van de verdediging te verwerpen en het verzoek tot terugwijzing af te wijzen. Het beroep in cassatie werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof dat het hoger beroep rechtsgeldig is behandeld.

Uitspraak

11 september 2012
Strafkamer
nr. S 10/04603
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 oktober 2010, nummer 20/003026-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt primair dat "het hof in hoger beroep ten gronde heeft rechtgedaan zonder te kunnen beschikken over een uitgewerkt vonnis en een proces-verbaal van de zitting waarop de zaak in eerste aanleg inhoudelijk werd behandeld".
2.2.1. De stukken van het geding houden het volgende in:
- bij vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Breda is de verdachte ter zake van het medeplegen van het handelen in strijd met art. 26, eerste lid, Wet wapens en munitie, veroordeeld tot een geldboete van € 250,-, subsidiair 5 dagen hechtenis;
- dit - mondelinge - vonnis is aangetekend op de wijze als voorzien in art. 378a Sv (het zogenoemde stempelvonnis);
- de Officier van Justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis en heeft op de voet van art. 410, eerste lid, Sv een appelschriftuur ingediend, houdende grieven tegen de hoogte van de opgelegde straf;
- de Voorzitter van het Hof heeft bij beschikking van 30 november 2009 het in art. 410a Sv bedoelde "verlof" verleend;
- de raadsman is - niettegenstaande dat door de verdachte geen appel was ingesteld - blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal ter terechtzitting van het Hof in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.
2.2.2. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota heeft de raadsman aldaar met een beroep op de beslissing van het VN-Mensenrechtencomité nr. 1797/2008 van 30 juli 2010 aangevoerd dat - op straffe van schending van art. 14, vijfde lid, IVBPR - het dossier diende te worden aangevuld met een uitgewerkt vonnis en proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en dat, indien dit onmogelijk zou blijken te zijn, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nietig behoorde te worden verklaard, met terugwijzing van de zaak naar de Politierechter.
2.2.3. Het Hof heeft daaromtrent het volgende overwogen en beslist:
"Het hof is van oordeel dat de kritiek van het Mensenrechtencomité enkel ziet op het verlofstelsel en de omstandigheid dat men bij het niet verlenen van verlof een tweede instantie mist. In casu is wel verlof verleend en is de zaak opnieuw feitelijk aan de orde. Indien het hof het verweer van de raadsman zou volgen, betekent dit dat de door de wet geboden mogelijkheid van het wijzen van een stempelvonnis niet door de beugel zou kunnen. Zo ruim interpreteert het hof de uitspraak niet. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging. In de eerste plaats ziet het hof geen aanleiding tot het opvragen van een uitgewerkt proces-verbaal van de zitting en een uitgewerkt vonnis, zodat er geen reden is voor terugwijzing naar de politierechter."
2.3. 's Hofs oordeel geeft niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De primaire klacht faalt derhalve.
2.4. Subsidiair klaagt het middel dat "het hof ten onrechte het namens requirant gevoerde verweer, kort samengevat primair strekkende tot aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde de stukken aan te vullen met een uitgewerkt vonnis en de processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg en subsidiair strekkende tot nietigverklaring van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, heeft verworpen, althans het hof dit verweer heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen".
2.5. De klacht miskent dat indien in eerste aanleg toepassing is gegeven aan art. 378a Sv op grond van art. 422, tweede lid, Sv de beraadslaging als bedoeld in de art. 348 en Pro 350 Sv alleen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep plaatsvindt (vgl. HR 27 januari 1987, LJN AC9693, NJ 1987/886), zoals te dezen blijkens het bestreden arrest is geschied. In aanmerking genomen voorts dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het door de raadsman aangevoerde niet kan leiden tot inwilliging van het verzoek tot terugwijzing van de zaak naar de Politierechter (vgl. HR 7 mei 1996, LJN ZD0442, NJ 1996/557), faalt ook de subsidiaire klacht.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 11 september 2012.