ECLI:NL:HR:2012:BW9196
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verbeurdverklaring geldbedrag bij invoer cocaïne
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin tien bankbiljetten van € 50,- die bij verdachte in beslag waren genomen, verbeurd zijn verklaard. Het hof oordeelde dat het geldbedrag werd gebruikt als handgeld om de kosten van de reis voor de invoer van cocaïne vanuit Suriname te voldoen.
Verdachte verklaarde tijdens de eerste aanleg en het hoger beroep dat hij het handgeld zelf had gespaard en dat hij als timmerman werkte. Het hof nam dit mee in haar oordeel dat het geld noodzakelijk was voor de reis en daarmee in verband stond met het bewezenverklaarde feit van invoer van cocaïne.
De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het arrest, maar alleen ten aanzien van de verbeurdverklaring van de tien bankbiljetten. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld.
Daarom wordt het cassatieberoep verworpen en blijft de verbeurdverklaring van het geldbedrag in stand. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 26 juni 2012.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verbeurdverklaring van het geldbedrag blijft in stand.