ECLI:NL:HR:2012:BW7483

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/02518
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:303 BWArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering tot nadere vaststelling huurprijs bedrijfsruimte

In deze zaak stond een vordering tot nadere vaststelling van de huurprijs van bedrijfsruimte centraal, gebaseerd op artikel 7:303 BW Pro. De eisers hadden tegen de verhuurder een procedure aangespannen om de huurprijs nader vast te stellen. De kantonrechter wees de vordering af, hetgeen door het gerechtshof werd bevestigd in het arrest van 15 februari 2011.

De eisers stelden vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad verwees naar de eerdere vonnissen en arresten en stelde vast dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. Er was geen aanleiding om de zaak te heropenen of het arrest van het hof te vernietigen.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde de eisers in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee werd het arrest van het gerechtshof definitief bevestigd, waarmee de vordering tot nadere vaststelling van de huurprijs niet werd toegewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof bevestigd.

Uitspraak

13 juli 2012
Eerste Kamer
11/02518
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
3. [Eiser 3],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaten: mr. D.M. de Knijff en mr. A. van Staden ten Brink.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 838446\RL EXPL 09-6665 van de kantonrechter te 's-Gravenhage van 22 september 2009;
b. het arrest in de zaak 200.050.677/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 februari 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 14 juni 2012 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 781,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, W.D.H. Asser, M.A. Loth en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 13 juli 2012.