ECLI:NL:HR:2012:BW6662

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03301 J
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
  • Y. Buruma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 335 SvArt. 361 SvArt. 415 SvArt. 421 Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert jeugddetentie wegens schending redelijke termijn en verwijst zaak terug

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte in een jeugdstrafzaak tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De Hoge Raad constateert dat het hof heeft nagelaten een met redenen omklede beslissing te nemen over de vordering van de benadeelde partij, terwijl dit op grond van de wet verplicht was. Daarnaast is de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro overschreden doordat de cassatiefase meer dan zestien maanden duurde.

De rechtbank had in eerste aanleg een schadevergoeding van €50 toegewezen aan de benadeelde partij, welke voeging in hoger beroep voortduurt. Het hof heeft echter nagelaten hierop te beslissen, waardoor het arrest op dit punt niet in stand kan blijven. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest uitsluitend voor zover het geen beslissing bevat over deze vordering en voor de duur van de opgelegde jeugddetentie.

De opgelegde jeugddetentie wordt verminderd van 42 naar 35 dagen vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing over de vordering van de benadeelde partij. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De jeugddetentie wordt verminderd tot 35 dagen en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beslissing over de schadevordering.

Uitspraak

29 mei 201
2Strafkamer
nr. S 10/03301 J
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 2 juni 2010, nummer 21/003837-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noord-Holland Noord, locatie Zuyder Bos" te Heerhugowaard.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging en voor zover geen beslissing is genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt onder meer dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
2.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde jeugddetentie van 42 dagen.
2.3. Voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
Blijkens de stukken van het geding heeft [A] zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafgeding gevoegd. De Rechtbank heeft de vordering van [A] toegewezen tot een bedrag van € 50,-. Op de voet van art. 421, tweede lid, Sv duurt de voeging die in eerste aanleg heeft plaatsgehad, van rechtswege voort in hoger beroep voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen.
Ingevolge de art. 335 en Pro 361, vierde lid, in verbinding met art. 415 Sv Pro was het Hof gehouden omtrent de vordering van de benadeelde partij een met redenen omklede beslissing te nemen (vgl. HR 10 mei 2005, LJN AT1812). De bestreden uitspraak ontbeert een dergelijke beslissing en kan daarom in zoverre niet in stand blijven.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarbij geen beslissing is genomen op de vordering van de benadeelde partij alsmede wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie;
vermindert de opgelegde jeugddetentie in die zin dat deze 35 dagen beloopt;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak wat betreft de vordering van de benadeelde partij op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 29 mei 2012.