ECLI:NL:HR:2012:BW5177

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/02637 A
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in Antilliaanse strafzaak

In deze strafzaak tegen een verdachte uit de Antillen heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie verzuimd om uitdrukkelijk en met redenen omkleed te beslissen op het verweer dat rekening gehouden moest worden met het tijdsverloop van de procedure. De verdachte had aangevoerd dat het beginsel van berechting binnen redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, was geschonden, wat zijn rechtspositie nadelig beïnvloedde.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof op straffe van nietigheid een gemotiveerde beslissing had moeten geven over dit verweer. Omdat dit niet is gebeurd, is het middel gegrond en vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof uitsluitend wat betreft de strafoplegging. Om doelmatigheidsredenen doet de Hoge Raad zelf uitspraak en vermindert de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, tot zeventien maanden en één week.

De overige middelen van cassatie worden verworpen omdat zij geen aanleiding geven tot cassatie. De uitspraak benadrukt het belang van het respecteren van het recht op een berechting binnen redelijke termijn en de noodzaak van een gemotiveerde beslissing door het Hof op dit punt.

Uitkomst: De gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, werd verminderd tot zeventien maanden en één week.

Uitspraak

15 mei 2012
Strafkamer
nr. S 11/02637 A
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 31 maart 2011, nummer H 35/2008, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende in [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C. Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het vierde middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof bij de strafoplegging geen rekening heeft gehouden met het tijdsverloop, althans heeft verzuimd te beslissen op een namens de verdachte dienaangaande gevoerd verweer.
2.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2011 heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in, voor zover hier van belang:
"Thans hebben cliënten heden na 4 jaren en 4 maanden na datum nog steeds geen zekerheid omtrent hun positie en status. Deze onzekerheid die niet aan hen toe te rekenen is dient eveneens te worden meegenomen in Uw beoordeling. Het beginsel van berechting binnen redelijke termijn 6 EVRM is ook geschonden hetgeen een rechtvaardiging dient te vinden in uw uitspraak."
2.3. Aldus is een verweer gevoerd waaromtrent het Hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven. Aangezien zodanige beslissing in de bestreden uitspraak niet voorkomt, is het middel gegrond. De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen.
2.4. De aan de Hoge Raad gezonden stukken houden ten aanzien van het procesverloop in hetgeen is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.4. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat tussen het instellen van beroep in cassatie op 2 juni 2008 en 13 juli 2010, de datum waarop door de Hoge Raad op dat beroep uitspraak is gedaan, de redelijke termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en één week, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 15 mei 2012.