Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2012:BW3352

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/04535
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 lid 4 AwbArt. 8:88 AwbArt. 29 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 364 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wraking van raadsheren in herzieningsprocedure belastingzaak

Verzoeker heeft namens belanghebbende A een verzoek tot herziening ingediend van een arrest van de Hoge Raad. Vervolgens heeft verzoeker wraking gevraagd van de raadsheren die het herzieningsverzoek zouden behandelen. Het wrakingsverzoek baseerde zich op ernstige aantijgingen zoals het plegen van strafbare feiten en het negeren van wet- en regelgeving.

De Hoge Raad beoordeelde het wrakingsverzoek aan de hand van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en de toepasselijkheid daarvan in belastingzaken. De aangevoerde gronden waren echter niet gebaseerd op concrete feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de raadsheren zouden aantasten.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond en wees het af. Tevens bepaalde de Hoge Raad dat een volgend wrakingsverzoek van dezelfde verzoeker in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen, vanwege misbruik van bevoegdheid.

De beslissing werd genomen door de president en twee raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2012.

Uitkomst: Het verzoek tot wraking wordt afgewezen en een volgend wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen.

Uitspraak

20 april 2012
Nr. 11/04535
Beslissing
van de Vierde kamer van de Hoge Raad der Nederlanden naar aanleiding van het verzoek om wraking van de hierna te noemen raadsheren in de Hoge Raad, ingediend door X te Z, verder te noemen verzoeker.
1. De procedure
1.1 Verzoeker heeft namens belanghebbende, A, een verzoek tot herziening ingediend van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 7 oktober 2011, nr. 11/02055, LJN BT6796. Dit verzoek tot herziening is ingeschreven onder het nummer 11/04535 bij de Derde kamer. Bij brief van 5 april 2012 is aan verzoeker meegedeeld dat op 13 april 2012 de beslissing in die zaak in het openbaar zal worden uitgesproken. Tevens is daarin meegedeeld dat het arrest zal worden gewezen door de leden C. Schaap, R.J. Koopman en Th. Groeneveld.
1.2 Bij op 6 april 2012 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker de wraking verzocht van de hiervoor in 1.1 vermelde leden.
2. Beoordeling van het wrakingsverzoek
2.1 Ingevolge artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ingevolge artikel 29 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken.
2.2 Uit de wetssystematiek vloeit voort dat artikel 8:15 van Pro de Awb eveneens geldt voor de behandeling van verzoeken tot herziening als bedoeld in artikel 8:88 van Pro die wet (Kamerstukken II 1992/93, 22 495, nr. 12).
2.3 Verzoeker voert in zijn verzoekschrift als gronden voor wraking aan dat uit eerdere arresten blijkt dat die leden zich schuldig hebben gemaakt aan (i) het misdrijf van artikel 364 van Pro het Wetboek van Strafrecht, (ii) zich willens en wetens baseren op schijnsituaties en hiervoor wetgeving misbruiken, (iii) een veelvoud aan nieuwe feiten hebben genegeerd, (iv) een scala aan wet- en regelgeving hebben geminacht, (v) uitspraken over EU-recht hebben geminacht, (vi) EU-jurisprudentie hebben geminacht, (vii) groen licht hebben gegeven aan corruptie en anarchie, en (viii) duidelijk hebben gemaakt dat de rechterlijke macht als het gaat om fouten verbergen een corrupt zooitje is. Gezien het vorenstaande is verzoeker van oordeel dat het wrakingsverzoek dient te worden gehonoreerd.
2.4 De door verzoeker hiervoor genoemde gronden voor wraking ten aanzien van deze raadsheren zijn kwalificaties die niet berusten op door verzoeker aangevoerde concrete feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de rechterlijke onpartijdigheid van genoemde raadsheren schade zou kunnen lijden. De Hoge Raad acht het verzoek kennelijk ongegrond.
2.5 De Hoge Raad is voorts, mede gezien het hiervoor in 2.3 en 2.4 vermelde, van oordeel dat verzoeker de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen misbruikt. Hij zal daarom op de voet van artikel 8:18, lid 4, van de Awb bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de onderhavige zaak niet in behandeling wordt genomen.
3. Beslissing
De Hoge Raad wijst het verzoek tot wraking af, en bepaalt dat een volgend verzoek om wraking in de onderhavige zaak niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door de president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.C. van Oven en J. de Hullu, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 20 april 2012.