ECLI:NL:HR:2012:BV6821

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03991
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 1:254 BWArt. 1:266 BWArt. 1:267 BWArt. 1:268 lid 2 BW
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot gedwongen ontheffing van ouderlijk gezag afgewezen door Hoge Raad

In deze zaak heeft de moeder cassatie ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage betreffende een verzoek tot gedwongen ontheffing van het ouderlijk gezag. De Raad voor de Kinderbescherming trad op als verweerder in cassatie. De Hoge Raad verwijst naar eerdere beslissingen van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof en behandelt het cassatieberoep op basis van de aangevoerde klachten.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat nadere motivering niet noodzakelijk is omdat de klachten geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Daarmee wordt het beroep van de moeder verworpen en blijft het besluit tot ontheffing van het ouderlijk gezag in stand. De uitspraak is gedaan door een kamer van raadsheren en in het openbaar uitgesproken door raadsheer J.C. van Oven op 24 februari 2012.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen, het besluit tot ontheffing van het ouderlijk gezag blijft van kracht.

Uitspraak

24 februari 2012
Eerste Kamer
10/03991
EE/AK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de raad.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 329544/F2 RK 09-916 van de rechtbank Rotterdam van 24 juli 2009;
b. de beschikking in de zaak 200.046.689/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 juni 2010.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raad heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en M.A. Loth, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 24 februari 2012.