ECLI:NL:HR:2012:BV3928
Hoge Raad
- Herziening
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening arrest Hoge Raad inzake navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1995
Belanghebbende heeft op 8 oktober 2010 een brief ingediend die moet worden opgevat als een verzoek tot herziening van het arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2010, waarin het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1995 ongegrond werd verklaard.
De Hoge Raad beoordeelt dat het verzoek tot herziening alleen kan worden toegewezen indien er feiten of omstandigheden zijn die vóór het oorspronkelijke arrest hebben plaatsgevonden, die niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn bij de indiener, en die bij bekendheid tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. Het onderhavige verzoek bevat geen dergelijke feiten of omstandigheden.
Daarnaast wijst de Hoge Raad erop dat het verzoek geen kennelijke verschrijving bevat maar slechts inhoudelijke bezwaren tegen de toepassing van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, hetgeen niet tot herziening kan leiden.
Gezien de kennelijke ongegrondheid van het verzoek wordt het onderzoek gesloten overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht. Partijen kunnen binnen zes weken na verzending van het arrest een verzetschrift indienen, waarna het arrest kan komen te vervallen indien het verzet gegrond wordt verklaard.
Er worden geen proceskosten aan partijen opgelegd. Het arrest is op 17 februari 2012 in het openbaar gewezen door de raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het arrest van 8 oktober 2010 wordt afgewezen wegens gebrek aan nieuwe feiten of omstandigheden.