ECLI:NL:HR:2012:BV0636

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00888
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROBurgerlijk Wetboek Boek 7
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onvoldoende causaal verband voor werkgeversaansprakelijkheid

In deze zaak stond de vraag centraal of de werkgever aansprakelijk kon worden gehouden voor de door eiser gestelde schade. Eiser had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, dat de aansprakelijkheid van de werkgever en hulppersoon had afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het causaal verband tussen de schade en de gebeurtenis.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten in de zaak en overweegt dat de klachten van eiser niet leiden tot cassatie. Er is geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opleveren.

Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De uitspraak bevestigt de strenge toetsing aan het causaal verband in aansprakelijkheidszaken jegens werkgevers en hulppersoon.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het causaal verband.

Uitspraak

23 maart 2012
Eerste Kamer
11/00888
EV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. A.H. Vermeulen,
t e g e n
1. [Verweerder 1], handelende onder de naam [A],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. D. Rijpma en mr. A. Van Staden ten Brink,
2. [Verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.E. Franke.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser], [verweerder 1] en [verweerder 2].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaken 205325/CV EXPL 08-75 (hoofdzaak) en 205794/CV EXPL 08-114 (vrijwaring) van de kantonrechter te Venlo van 22 oktober 2008;
b. het arrest in de zaak HD 200.019.240 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 november 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder 1] en [verweerder 2] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 19 januari 2012 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 1] begroot op € 365,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris en aan de zijde van [verweerder 2] begroot op € 365,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.A. Loth en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 23 maart 2012.