ECLI:NL:HR:2012:BU9850

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01097
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt draagkracht bij kinderalimentatie inclusief neveninkomsten

In deze zaak stond de vraag centraal of bij de vaststelling van kinderalimentatie de draagkracht van de alimentatieplichtige ook moet worden beoordeeld aan de hand van mogelijke inkomsten uit een nevenbetrekking naast een voltijdse dienstbetrekking.

De feiten betreffen een geschil tussen partijen over de hoogte van de kinderalimentatie. Het hof had geoordeeld dat van de alimentatieplichtige verwacht mag worden dat hij naast zijn voltijdse baan ook inkomsten uit een nevenbetrekking verwerft, hetgeen de draagkracht beïnvloedt.

Tegen dit oordeel stelde de alimentatieplichtige cassatieberoep in, terwijl de wederpartij incidenteel cassatieberoep instelde. De Hoge Raad heeft beide beroepen verworpen, waarbij werd overwogen dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en geen nadere motivering behoefden.

De uitspraak bevestigt de jurisprudentie dat bij de draagkrachtberekening ook rekening gehouden mag worden met neveninkomsten, wat consequenties heeft voor de vaststelling van alimentatieverplichtingen.

Uitkomst: Het cassatieberoep en het incidentele cassatieberoep worden verworpen; het oordeel van het hof dat van de alimentatieplichtige verwacht mag worden dat hij naast zijn voltijdse dienstbetrekking ook inkomsten uit een nevenbetrekking verwerft, wordt bevestigd.

Uitspraak

3 februari 2012
Eerste Kamer
11/01097
EV/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. R.W. van den Hoek,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. I.J. Pieters.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 355091/FA RK 09-10459 van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 maart 2010;
b. de beschikking in de zaak 200.068.914.01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 december 2010.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. [Verweerster] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep, met compensatie van de kosten.
3. Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale en het incidentele beroep:
verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 3 februari 2012.