ECLI:NL:HR:2012:BU7252

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04958
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijs omtrent totstandkoming overeenkomst van geldlening

In deze zaak stond de vraag centraal of er een overeenkomst van geldlening tot stand was gekomen tussen de vader en [A] c.s. De vader had beroep in cassatie ingesteld tegen het eindarrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin was geoordeeld dat de vader niet had bewezen dat er een geldleningsovereenkomst bestond.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken in de procedure en bevestigt het oordeel van het gerechtshof. De klachten van de vader in cassatie worden niet ontvankelijk verklaard omdat zij geen aanleiding geven tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad wijst het beroep af en veroordeelt de vader in de kosten van het geding, die aan de zijde van [A] c.s. nihil worden begroot. De uitspraak is gedaan door een kamer van drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer op 3 februari 2012.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

3 februari 2012
Eerste Kamer
10/04958
EE/AK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De vader],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
1. [A] C.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [De zoon],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vader en [A] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 681/00 van de rechtbank Middelburg van 6 februari 2002;
b. het vonnis in de zaak 34141/HA ZA 02/200 van de rechtbank Middelburg van 24 september 2003;
c. het arrest in de zaak 04/440 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 juli 2006;
d. het arrest in de zaak C06/316HR, LJN BC9945, NJ 2008/336 van de Hoge Raad van 13 juni 2008;
e. de arresten in de zaak 200.015.562/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 28 april 2009 (tussenarrest) en 27 april 2010 (eindarrest).
Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [A] c.s. is verstek verleend.
De zaak is voor de vader toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De advocaat van [de vader] heeft op 16 december 2011 schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [de vader] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [A] c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 3 februari 2012.