Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2012:BU6758

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/03820
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 FaillissementswetArt. 285 lid 1 onder f FaillissementswetArt. 47 Wet op het consumentenkredietArt. 48 lid 1 Wet op het consumentenkredietArt. 48 lid 2 Wet op het consumentenkrediet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating schuldsanering wegens niet-uitvoering door bevoegde schuldbemiddelaar

Verzoekers hebben bij de rechtbank een verzoek ingediend om toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, waarbij zij een verklaring overlegden afgegeven door het college van burgemeester en wethouders. De poging tot buitengerechtelijke schuldregeling was uitgevoerd door een schuldhulpverleningsbedrijf dat niet valt onder de in de Wet op het consumentenkrediet (Wck) genoemde bevoegde personen of instellingen, ondanks dat het bedrijf beschikte over een NEN-8048 certificaat.

De rechtbank wees het verzoek af en het gerechtshof bekrachtigde dit oordeel. Volgens art. 288 lid 2 onder Pro b Faillissementswet (F.) moet het verzoek worden afgewezen indien de schuldregeling niet door een daartoe bevoegde partij is uitgevoerd. Verzoekers stelden dat het certificaat gelijkgesteld moet worden aan de vereiste bevoegdheid, maar de Hoge Raad oordeelde dat alleen de regering bevoegd is om personen of instellingen aan te wijzen via een algemene maatregel van bestuur, en niet de rechter.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het verzoek terecht was afgewezen omdat de wettelijke vereisten voor de schuldsaneringsregeling niet waren nageleefd. Dit arrest verduidelijkt de strikte toepassing van de wettelijke bepalingen omtrent schuldbemiddeling en de rol van certificering.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat de buitengerechtelijke schuldregeling niet door een bevoegd persoon of instelling is uitgevoerd.

Uitspraak

6 januari 2012
Eerste Kamer
11/03820
EE/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Verzoeker 1],
2. [Verzoekster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen.
Verzoekers zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaken 210757/FT-RK 11.71 en 210758/FT-RK 11.72 van de rechtbank Arnhem van 6 juni 2011,
b. het arrest in de zaak 200.088.818 van het gerechtshof te Arnhem van 11 augustus 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [verzoeker] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.
De advocaat van [verzoeker] c.s. heeft bij brief van 2 december 2011 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1.1 [Verzoeker] c.s. hebben zich tot de rechtbank gewend met het verzoek de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Bij dat verzoek hebben zij overgelegd een verklaring als bedoeld in art. 285 lid Pro 1, onder f, F., afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van hun woonplaats. De aan het verzoek voorafgegane poging tot buitengerechtelijke schuldregeling is uitgevoerd door [A] Schuldhulpverlening B.V. Deze vennootschap is niet een persoon of instelling als bedoeld in art. 48 lid 1 Wet Pro op het consumentenkrediet (Wck). Wel beschikt zij over een zogeheten NEN-8048 certificaat, dat haar is verstrekt ter bevestiging dat zij voldoet aan bepaalde kwaliteitseisen op het gebied van schuldhulpverlening en schuldbemiddeling.
3.1.2 De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en in hoger beroep heeft het hof het desbetreffende vonnis bekrachtigd. Evenals de rechtbank overwoog het hof daartoe, kort gezegd, dat art. 288 lid Pro 2, aanhef en onder b, F., dwingend voorschrijft dat het verzoek wordt afgewezen indien, zoals hier het geval is, de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in art. 48 lid 1 Wck Pro.
3.2.1 Tegen dit oordeel richt zich het middel met een aantal klachten. Tezamen genomen strekken deze ertoe dat het hof heeft miskend dat het bepaalde in art. 288 lid Pro 2, aanhef en onder b, niet aan toewijzing van een verzoek als het onderhavige in de weg staat ingeval de poging tot buitengerechtelijke schuldregeling is uitgevoerd door een persoon of instelling die beschikt over een NEN-8048 certificaat en de verklaring als bedoeld in art. 285 lid Pro 1, onder f, is afgegeven door het college van burgemeester en wethouders. Die persoon of instelling is dan "gelijk te stellen aan de categorie van artikel 48 lid 1 WCK Pro", aldus het middel, dat steun zoekt bij HR 5 november 2010, LJN BN8056, NJ 2011/31.
3.2.2 Art. 48 lid Pro 1, onder d, Wck voorziet in de mogelijkheid dat bij algemene maatregel van bestuur natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel categorieën daarvan, worden aangewezen voor wie het verbod op schuldbemiddeling van art. 47 Wck Pro niet geldt. Daarnaast kan ingevolge art. 48 lid 2 Wck Pro bij algemene maatregel van bestuur onder meer worden bepaald dat voor het verrichten van schuldbemiddeling een certificaat is vereist. Van deze mogelijkheden is, zoals nader uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.6-2.18, tot nu toe slechts in beperkte mate en voor korte tijd (1998-2000) gebruik gemaakt. Bij brief van 19 oktober 2007 aan de Tweede Kamer hebben de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de minister van Financiën het voornemen van het kabinet aangekondigd om, nadat private partijen in een normcommissie normen zouden hebben ontwikkeld die certificering van schuldhulpverleners mogelijk zou maken, een algemene maatregel van bestuur vast te stellen op grond waarvan onder een aantal strikte voorwaarden aan private schuldhulpverleners zou worden toegestaan vergoedingen voor schuldbemiddeling aan schuldenaars te vragen. Aan dat, enkele jaren nadien in enigszins andere vorm herhaalde, voornemen is, zoals ook het middel benadrukt, nog geen uitvoering gegeven.
3.2.3 Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, is het onderhavige geval niet te vergelijken met dat van HR 5 november 2010, LJN BN8056, NJ 2011/31. Honorering van het middel zou erop neerkomen dat de rechter de in art. 48 lid Pro 1, onder d, en art. 48 lid 2 Wck Pro gegeven regelgevende bevoegdheid gaat uitoefenen. Daartoe is echter niet de rechter maar uitsluitend de regering bevoegd. Hierop stuit het middel in zijn geheel af.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, C.A. Streefkerk, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 6 januari 2012.