ECLI:NL:HR:2012:BT8641

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02544
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing bewijsaanbod in geschil over perceel bouwgrond en watergang

In deze zaak stond een geschil centraal over de koop van een perceel bouwgrond met een recreatiewoning, waarbij de koper stelde dat de watergang naast het perceel smaller was geworden door zandstorting, hetgeen tot schadeloosstelling zou moeten leiden.

De rechtbank wees de vordering van Aquastaete tot betaling van een bedrag wegens overmaat van grond toe en wees de vordering van de koper tot schadeloosstelling wegens dwaling en/of bedrog af. Het hof bekrachtigde het vonnis in conventie en vernietigde het vonnis in reconventie, waarbij het de vordering van de koper alsnog afwees.

De koper had onvoldoende concrete feiten gesteld om bewijslevering toe te laten over de smaller geworden watergang. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof dat het bewijsaanbod onvoldoende concreet was, feitelijk voldoende was onderbouwd en dat de klachten van partijen niet tot cassatie konden leiden.

De Hoge Raad verwerpt zowel het principale als het incidentele cassatieberoep en veroordeelt partijen in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt afwijzing bewijsaanbod wegens onvoldoende feitelijke grondslag.

Uitspraak

6 januari 2012
Eerste Kamer
10/02544
DV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
RESORT AQUASTAETE B.V.,
gevestigd te Bruinisse, gemeente Schouwen-Duiveland,
EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
2. [Verweerster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie, eisers in het incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. R.W. Keus.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Aquastaete en [verweerder] (in enkelvoud).
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in het incident in de zaak 237546/HA ZA 05-1252 van de rechtbank Rotterdam van 10 augustus 2005;
b. de vonnissen in de zaak 49517/HA ZA 05-471 van de rechtbank Middelburg van 23 november 2005 en 11 oktober 2006;
c. de arresten in de zaak 105.005.639/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 november 2006 en 9 maart 2010.
Het laatstgenoemde arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 9 maart 2010 heeft Aquastaete beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt in het principale beroep tot verwerping en in het incidentele beroep tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van Aquastaete heeft bij brief van 27 oktober 2011 op de conclusie gereageerd.
3. Uitgangspunten in cassatie
3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal
onder 1. Samengevat gaat het om het volgende.
(i) Tussen Aquastaete en [verweerder] is op 30 maart 2002 een koop- en aannemingsovereenkomst gesloten waarbij [verweerder] van Aquastaete een perceel bouwgrond heeft gekocht met daarop een recreatiewoning met aanbehoren in aanbouw, een en ander als in de overeenkomst nader omschreven. Bij deze overeenkomst heeft [verweerder] aan Aquastaete opdracht gegeven de recreatiewoning te doen (af)bouwen. In de overeenkomst is in art. 2 een Pro over- of ondermaatbepaling opgenomen.
(ii) Het door [verweerder] gekochte perceel was gelegen in een door Aquastaete aan te leggen recreatiepark. In het
voorjaar van 2002 is begonnen met de aanleg van het park, dat grenst aan een watergang.
(iii) Op 10 juli 2002 is ter voldoening aan de koop- en aannemingsovereenkomst een notariële akte van levering gepasseerd.
(iv) Het door [verweerder] gekochte perceel bleek bij uitmeting door het kadaster 55 m2 groter te zijn dan in de overeenkomst was vermeld. Aquastaete heeft [verweerder] een nota gezonden ten bedrage van € 5.191,93 wegens overmaat van de verkochte grond.
3.2 Aquastaete heeft in conventie onder meer betaling gevorderd van het hiervoor in 3.1 onder (iv) genoemde bedrag. In reconventie heeft [verweerder] € 25.047,-- gevorderd ten titel van schadeloosstelling wegens dwaling en/of bedrog. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat Aquastaete de ligging van de woning aan het water onjuist heeft voorgesteld, zowel wat betreft de breedte van het water als wat betreft het hoogteverschil tussen het perceel en het water.
De rechtbank heeft de hiervoor bedoelde vordering in conventie afgewezen en die in reconventie toegewezen.
Het hof heeft - voor zover in cassatie van belang - het vonnis in conventie bekrachtigd ten aanzien van de hiervoor bedoelde vordering van Aquastaete en het vonnis in reconventie vernietigd; de reconventionele vordering - waaraan [verweerder] in appel tevens een beroep op onrechtmatige daad ten grondslag had gelegd - werd alsnog afgewezen.
4. Beoordeling van het middel in het principale beroep
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.1 Het incidentele middel heeft slechts betrekking op de reconventionele vordering ten aanzien van de breedte van de aan het perceel van [verweerder] grenzende watergang.
Het hof heeft daaromtrent het volgende overwogen.
"11. Ten aanzien van de watergang stelt [verweerder] dat deze ter plaatse van zijn woning aanzienlijk smaller is geworden door de zandstorting en dat er ten tijde van de ondertekening van de transportakte op 10 juli 2002 nog een breed water achter zijn perceel lag.
12. [Verweerder] heeft echter niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist dat er na de ondertekening van de koop- en aannemingsovereenkomst geen grond is gestort in de watergang teneinde het perceel te vergroten. [Verweerder] heeft weliswaar betoogd dat de grond op enig moment na 10 juli 2002 is aangebracht, maar daaraan toegevoegd dat hij niet weet wanneer dit het geval was. Op de door [verweerder] bij akte van 29 november 2007 overgelegde foto's is de kavel van [verweerder] niet zichtbaar en bovendien blijkt niet zonder meer uit deze productie dat in april/mei 2003, toen deze foto's zouden zijn gemaakt, door een hoeveelheid gestort zand het water aanzienlijk smaller is geworden.
Voor bewijslevering door [verweerder] ziet het hof geen plaats, nu het bewijsaanbod op dit punt onvoldoende concreet is. Uit het vorenstaande volgt dat [verweerder] in zoverre onvoldoende feiten heeft gesteld om te kunnen concluderen dat er sprake is van bedrog, dwaling dan wel onrechtmatige daad."
5.2 De in het middel onder a en b tegen rov. 12 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5.3 Het middel klaagt onder c over het oordeel van het hof dat voor bewijslevering door [verweerder] geen plaats is nu het bewijsaanbod op dit punt onvoldoende concreet is.
Dit oordeel moet, in aanmerking genomen dat het daarop berust
- dat [verweerder] tegenover het betoog van Aquastaete dat na de ondertekening van de koop- en aannemingsovereenkomst geen grond in de watergang is gestort om het perceel te vergroten slechts heeft gesteld dat op enig moment na de transportdatum grond is gestort,
- dat [verweerder] geen concrete datum kan noemen waarop dat gebeurd zou zijn en
- dat ook uit de door hem overgelegde foto's, die in april/mei 2003 gemaakt zouden zijn en waarop de kavel van [verweerder] niet zichtbaar is, niet blijkt dat de watergang door het storten van grond smaller is geworden,
aldus worden begrepen, dat [verweerder] onvoldoende heeft gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten. Bij deze lezing van het bestreden arrest mist het onderdeel feitelijke grondslag en kan het om die reden niet tot cassatie leiden.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principaal beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Aquastaete in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 385,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;
in het incidenteel beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Aquastaete begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, F.B. Bakels en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 6 januari 2012.