ECLI:NL:HR:2012:BT6963

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00271
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens niet-naleving oproepvoorschrift in hoger beroep

In deze strafzaak betrof het een beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Arnhem. De verdachte was niet verschenen bij de terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2002. Het hof handhaafde het verstek en deed uitspraak op 1 mei 2002.

De Hoge Raad onderzocht of het voorschrift van artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafvordering was nageleefd, dat vereist dat een afschrift van de oproeping voor de terechtzitting aan de raadsman van de verdachte wordt gezonden. Uit het dossier bleek dat niet kon worden vastgesteld dat de raadsman een afschrift had ontvangen. Dit leidde tot een ernstig vermoeden van niet-naleving van dit belangrijke procesvoorschrift.

De Hoge Raad oordeelde dat dit voorschrift van zo grote betekenis is dat niet-naleving de geldige behandeling van de zaak buiten aanwezigheid van verdachte en diens raadsman in de weg staat. Daarom werd het bestreden arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het Gerechtshof Arnhem wordt vernietigd wegens niet-naleving van het oproepvoorschrift en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.

Uitspraak

3 januari 2012
Strafkamer
nr. 10/00271
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 1 mei 2002, nummer 21/000742-00, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 51 Sv Pro de zaak inhoudelijk heeft beoordeeld zonder dat een afschrift van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep aan de raadsman van de verdachte is gezonden en dat het Hof heeft nagelaten te onderzoeken of art. 51 Sv Pro is nageleefd.
2.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2002 houdt het volgende in:
"De verdachte (...) is niet verschenen.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte.
De bode deelt mede dat mr Huurdeman hem telefonisch heeft medegedeeld dat hij niet op de hoogte was van de zitting, aangezien hij geen afschrift van de dagvaarding heeft ontvangen. In verband daarmee verzoekt de raadsman de behandeling van de zaak aan te houden.
Naar aanleiding van het door de raadsman van verdachte, mr Huurdeman, advocaat te Amsterdam, gedaan verzoek schorst het hof, gehoord de advocaat-generaal, het onderzoek voor onbepaalde tijd in het belang van de verdediging, met bevel tot oproeping van verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip en met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsman van verdachte."
2.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2002, naar aanleiding waarvan het bestreden arrest is gewezen, houdt in:
"De verdachte, genaamd [verdachte] (...) is niet verschenen. Het op 23 januari 2002 tegen verdachte verleende verstek wordt gehandhaafd.
(...)
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van het gerechtshof uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 1 mei 2002 te 14.00 uur."
2.3.1. Bij de stukken van het geding bevindt zich het dubbel van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2002. Noch uit mededelingen gesteld op dat dubbel noch uit enig ander aan de Hoge Raad gezonden stuk kan blijken dat een afschrift van die oproeping aan de raadsman is gezonden. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2002 is aldaar noch de verdachte noch diens raadsman verschenen.
2.3.2. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang beschouwd, vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2002 het voorschrift vervat in de tweede volzin van art. 51 Sv Pro niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.
2.4. Het middel, dat daarover klaagt, is dus terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is vastgesteld op 20 december 2011 en gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en W.F. Groos, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 januari 2012.