ECLI:NL:HR:2012:BT2679
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid OM bij ernstige normschending en uitleg art. 413 SvA en art. 359a Sv
In deze cassatieprocedure tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie centraal. Het Hof had vastgesteld dat er ernstige normschendingen waren, waaronder het onrechtmatig afluisteren en niet tijdig vernietigen van gesprekken met geheimhouders, maar verklaarde het OM toch ontvankelijk omdat niet was gebleken dat de verdachte daardoor in zijn belangen was geschaad.
De verdediging voerde aan dat het OM niet ontvankelijk moest worden verklaard vanwege deze schendingen. De Hoge Raad oordeelde dat art. 413 SvA Pro, dat voorziet in niet-ontvankelijkheid bij schending van wezenlijke normen, op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als art. 359a Sv van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering. Dit betekent dat bij onherstelbare vormverzuimen die niet wettelijk zijn geregeld, het OM niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien daardoor geen eerlijk proces mogelijk is.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat het Hof dit niet correct had toegepast. Tevens stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zeven naar zes jaar en zes maanden. De overige middelen werden verworpen en het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 10 januari 2012.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zes jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het OM wordt ontvankelijk verklaard ondanks ernstige normschending.