ECLI:NL:HR:2012:BQ8891
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitleg ambtsdelict art. 361 Sr en vermindert gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte, werkzaam als bewaarder bij de Dienst Justitiële Inrichtingen, werd veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en verduistering van bewijsmiddelen binnen zijn ambtelijke bediening.
De Hoge Raad bevestigt dat de term 'in zijn bediening' in art. 361 Sr Pro niet beperkt is tot de rechtmatige uitoefening van het ambt, maar enkel uitdrukt dat het ambt de verdachte in staat stelde de strafbare feiten te plegen. De bewezenverklaringen onder 1 en 2 zijn derhalve niet tegenstrijdig.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat art. 44 Sr Pro niet vereist dat sprake is van oneigenlijk gebruik, hoewel dit vaak het geval zal zijn. Het beroep van de verdachte wordt afgewezen, maar de straf wordt ambtshalve verminderd van vijftien maanden waarvan vijf voorwaardelijk naar veertien maanden en twee weken waarvan vijf voorwaardelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot veertien maanden en twee weken waarvan vijf maanden voorwaardelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn.