ECLI:NL:HR:2011:BU8748

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01038 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 SvArt. 3 Opiumwet
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid aanvrage tot herziening wegens ontbreken nieuwe feiten

De zaak betreft een aanvrage tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage uit 2004, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor diefstal met verbreking en overtreding van de Opiumwet. De Hoge Raad beoordeelt of de aanvrage voldoet aan de wettelijke vereisten voor herziening, waaronder het aanvoeren van nieuwe feiten die bij de eerdere terechtzitting niet bekend waren en die het onderzoek zouden kunnen beïnvloeden.

De Hoge Raad stelt vast dat de aanvrage niet voldoet aan artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering, omdat zij geen nieuwe feitelijke omstandigheden bevat noch bewijsmiddelen die deze ondersteunen. Hierdoor kan de aanvrage niet worden ontvangen.

De Hoge Raad verklaart daarom de aanvrage niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee het eerdere arrest zonder inhoudelijke behandeling van de herzieningsgrond. De uitspraak is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer en uitgesproken op 20 december 2011.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvrage tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van nieuwe feiten en bewijsmiddelen.

Uitspraak

20 december 2011
Strafkamer
nr. 11/01038 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 maart 2004, nummer 22/002572-03, ingediend door mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 14 maart 2003 - de aanvrager ter zake van 1. "diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking" en 2. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden. Voorts is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niet een beroep op een feitelijke - aan de rechter niet bekende - omstandigheid als hiervoor bedoeld en evenmin een opgave van bewijsmiddelen waaruit van zodanige omstandigheid kan blijken. De aanvrage kan daarom, gelet op het bepaalde in de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 20 december 2011.