ECLI:NL:HR:2011:BU4217

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04359
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:267 BWArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek hypotheekhouder tot machtiging op grond van artikel 3:267 BW afgewezen

In deze zaak heeft de hypotheekhouder een verzoek ingediend tot het verkrijgen van machtiging op grond van artikel 3:267 van Pro het Burgerlijk Wetboek. De voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg en het gerechtshof te 's-Gravenhage hebben eerder beschikking gegeven in deze zaak. Tegen de beschikking van het hof heeft eiser beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van eiser beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering was nadere motivering niet vereist omdat de klachten niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaken.

Het beroep is verworpen en eiser is veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, begroot op € 359,38 aan verschotten en € 1.800,-- aan salaris. De beschikking is gegeven door de raadsheren Bakels, Asser, Drion en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Van Oven op 9 december 2011.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser is verworpen en hij is veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitspraak

9 december 2011
Eerste Kamer
10/04359
EV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. K.G.W. van Oven.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Bank.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 71435/KG RK 10-36 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Middelburg van 25 maart 2010;
b. de beschikking in de zaak HV 200.062.068/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 juli 2010.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Bank heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op € 359,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren F.B. Bakels, als Voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 9 december 2011.