ECLI:NL:HR:2011:BU3597
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt voorbedachte raad bij moord op dochter door toediening azijnessence
De zaak betreft de moord op het dochtertje van de verdachte op 15 januari 2008 te Amsterdam. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte haar dochtertje met voorbedachten rade heeft gedood door haar azijnessence toe te dienen en/of de keel dicht te knijpen. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse feiten, waaronder de vondst van een flesje azijnessence en een groot keukenmes in de woning, de sterke azijnlucht, en de aanwezigheid van huidverkleuring passend bij irritatie door azijnessence.
De verdediging voerde aan dat sprake was van een opwelling en dat het bewijs voor voorbedachten rade onvoldoende was, mede vanwege onzekere toxicologische resultaten en het ontbreken van een duidelijk motief. Het hof oordeelde echter dat de verdachte tijd had gehad om zich te bezinnen tussen het besluit en de uitvoering, en dat de handelingen met het flesje azijnessence niet konden worden verklaard door een voorgenomen zelfmoord alleen.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen. Hij oordeelde dat het hof het bewijs voor voorbedachten rade voldoende heeft gemotiveerd en dat de mogelijkheid dat de handelingen met het flesje azijnessence slechts verband hielden met de zelfmoordpoging van de verdachte niet aannemelijk was. De overige middelen konden niet tot cassatie leiden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor moord met voorbedachten rade door toediening van azijnessence aan het dochtertje.