ECLI:NL:HR:2011:BU3447
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Nietigheid vervolging rechterlijk ambtenaar wegens ontbreken verzoek aanwijzing ander gerecht
In deze zaak stond een voormalige raadsheer van het Gerechtshof Leeuwarden terecht wegens schending van het geheim van de raadkamer, een strafbaar feit zoals bedoeld in art. 272 Sr Pro. De verdachte was in 2006 ontslagen uit zijn functie en werd in 2007 verdacht van het misdrijf. Na een klacht van de kamervoorzitter en een beslissing tot vervolging, werd de zaak behandeld door de Rechtbank Groningen en later door het Hof Leeuwarden in hoger beroep.
De kern van het geschil betrof de toepassing van art. 510 Sv Pro, die voorschrijft dat bij vervolging van rechterlijke ambtenaren een ander gerecht moet worden aangewezen om schijn van bevoordeling of benadeling te voorkomen. De Hoge Raad herhaalt dat deze verplichting ook geldt wanneer de verdachte niet meer in functie is, maar wel verdachte is van een ambtsmisdrijf.
Het Openbaar Ministerie heeft nagelaten om een verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht bij de Hoge Raad in te dienen. Dit verzuim leidt volgens de Hoge Raad tot nietigheid van het gehele proces in eerste en tweede aanleg en van de uitspraken. Tevens verloor het hofbesluit op het beklag kracht. De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest, behoudens voor zover het vonnis van de rechtbank is vernietigd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van een verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht, wat leidt tot nietigheid van het proces.