ECLI:NL:HR:2011:BU1359
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- W.A.M. van Schendel
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens opheffing ongewenstverklaring na vonnis
De aanvrager was door de Politierechter veroordeeld wegens verblijf als ongewenst vreemdeling in Nederland. Hij vroeg herziening van dit vonnis op basis van een beschikking van de Minister voor Immigratie en Asiel die de ongewenstverklaring op 14 maart 2011 opheft.
De Hoge Raad beoordeelde of deze nieuwe omstandigheid een grond voor herziening kon vormen. Volgens art. 457 Sv Pro kunnen alleen feiten die bij de oorspronkelijke terechtzitting niet bekend waren en die het onderzoek zouden hebben beïnvloed, leiden tot herziening.
De opheffing van de ongewenstverklaring trad echter pas in werking na het vonnis van 30 juli 2008. Dit betekent dat de beschikking geen terugwerkende kracht heeft en de oorspronkelijke veroordeling niet ongedaan maakt.
Daarom concludeert de Hoge Raad dat de aanvrage tot herziening kennelijk ongegrond is en wijst deze af. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren op 25 oktober 2011.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af omdat de opheffing van de ongewenstverklaring pas na het vonnis is ingetreden.