ECLI:NL:HR:2011:BU1346

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03299 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriftenArt. 457 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens onvoldoende bewijs persoonsverwisseling bij valse personalia

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een vonnis van de Kantonrechter Rotterdam uit 2006, waarbij de aanvrager werd veroordeeld voor het onjuist opgeven van gegevens in strijd met artikel 34, eerste lid onder b, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV).

De aanvrager stelt dat sprake is van persoonsverwisseling en dat hij niet degene is die valse personalia heeft opgegeven bij een staandehouding. Ter onderbouwing is een kopie van zijn paspoort en rijbewijs overgelegd, waaruit zou blijken dat zijn handtekening niet overeenkomt met die van de persoon die de valse gegevens heeft verstrekt.

De Hoge Raad oordeelt dat deze stelling onvoldoende is onderbouwd omdat in het dossier geen handtekening van de persoon die de valse gegevens heeft opgegeven aanwezig is, zodat geen vergelijking kan worden gemaakt. Hierdoor wekt de aangevoerde omstandigheid geen ernstig vermoeden dat het oorspronkelijke vonnis onjuist is.

Op grond hiervan wordt het verzoek tot herziening afgewezen en blijft het vonnis van de Kantonrechter in stand.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs voor persoonsverwisseling.

Uitspraak

25 oktober 2011
Strafkamer
nr. 09/03299 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Rotterdam van 31 januari 2006, nummer 10/434476, ingediend door mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Kantonrechter heeft de aanvrager ter zake van "Overtreding van art. 34, eerste lid onder b, Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften" veroordeeld tot een geldboete van € 145,- subsidiair 2 dagen hechtenis.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Art. 34 Wet Pro administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften luidt:
"1. Met geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:
a. (...);
b. hij die gegevens waarop de vordering, bedoeld in artikel 3, eerste lid, betrekking heeft onjuist opgeeft;
c. (...);
2. Het strafbare feit is een overtreding."
3.2. De aanvrager vraagt herziening van een uitspraak van de Kantonrechter houdende veroordeling ter zake van overtreding van art. 34, eerste lid, onder b, WAHV. Het betreft een einduitspraak als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2, Sv, waarvan herziening kan worden verzocht.
3.3. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.4. Aan de aanvrage ligt ten grondslag de stelling dat sprake is van een persoonsverwisseling. Daartoe wordt aangevoerd dat de aanvrager niet degene is die ter gelegenheid van de staandehouding valse personalia heeft opgegeven. Ter ondersteuning van die stelling is bij de aanvrage gevoegd een kopie van het paspoort en van het rijbewijs van de aanvrager waaruit zou moeten blijken dat de handtekening van de aanvrager niet overeenkomt met die van de persoon die de valse personalia heeft opgegeven.
3.5. Die omstandigheid kan echter niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 3.3 vermeld. In het dossier bevindt zich geen handtekening van een persoon die bij de staandehouding valse personalia heeft opgegeven, terwijl bij de aanvrage ook geen handtekening van die persoon is overgelegd. Dat, zoals in de aanvrage wordt gesteld, die handtekeningen niet overeenkomen, kan dus niet blijken. Daarop stuit de aanvrage af.
3.6. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 25 oktober 2011.