ECLI:NL:HR:2011:BT6844
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vervreemding optierechten in inkomstenbelasting navorderingsaanslag
Belanghebbende, werknemer binnen een concern, had in 1998 optierechten op certificaten van aandelen verkregen. In 1999 sloot hij een overeenkomst waarin hij zich verplichtte zijn uitoefeningsrechten niet te gebruiken, terwijl D B.V. het recht had deze optierechten terug te kopen. De Belastingdienst legde een navorderingsaanslag op wegens vervreemding van een aanmerkelijk belang.
De rechtbank en het hof verklaarden het beroep van belanghebbende ongegrond en bevestigden dat de overeenkomst feitelijk neerkwam op vervreemding van de optierechten. Het hof oordeelde dat de mogelijkheid dat belanghebbende de optierechten toch zou uitoefenen geen realiteitswaarde had.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof de overeenkomst en bewijsmiddelen juist had uitgelegd en gewogen. De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en oordeelde dat het oordeel van het hof geen onjuiste rechtsopvatting bevatte. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag blijft gehandhaafd.