ECLI:NL:HR:2011:BT2560
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijk verklaring van verdachte wegens ontbreken schriftuur houdende middelen in cassatie
Op 15 november 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De verdachte, geboren in 1947 en woonachtig te woonplaats, had beroep ingesteld maar geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn door een raadsman ingediend. De Advocaat-Generaal Aben concludeerde dat verdachte niet-ontvankelijk verklaard moest worden.
De Hoge Raad oordeelde dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet was nageleefd, waardoor de verdachte niet in het beroep kon worden ontvangen. Dit betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk is behandeld vanwege procedurele niet-ontvankelijkheid.
Het arrest werd gewezen door vice-president F.H. Koster als voorzitter en raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.F. Groos, en uitgesproken op 15 november 2011. De beslissing bevestigt het belang van het tijdig en correct indienen van schriftuur houdende middelen in cassatieprocedures.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van schriftuur houdende middelen binnen de wettelijke termijn.