ECLI:NL:HR:2011:BT2556
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest wegens onbegrijpelijke afwijzing getuigenverzoek in incestzaak
In deze strafzaak stond verdachte terecht wegens het seksueel binnendringen en misbruik van zijn stiefdochter over de periode van oktober 2003 tot december 2005. Het hof Amsterdam had het verzoek van de verdediging om een getuige te horen afgewezen omdat de verklaring van deze getuige niet van belang zou zijn voor de strafzaak.
De getuige zou verklaren over mededelingen van de benadeelde, maar deze verklaringen waren van horen zeggen en betroffen gebeurtenissen die niet direct aan verdachte ten laste waren gelegd. Het hof vond dat het horen van deze getuige niet noodzakelijk was en dat de verdediging hierdoor niet in haar recht was geschaad.
De verdediging stelde dat de verklaringen van de benadeelde onbetrouwbaar waren en wilde de getuige laten horen om dit te onderbouwen. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof niet zonder meer begrijpelijk had gemotiveerd waarom de getuigenverklaring niet van belang zou zijn, mede omdat het hof zelf had overwogen dat de verklaringen van de benadeelde wel betrouwbaar waren.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep. De overige middelen werden niet besproken. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 15 november 2011.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.