ECLI:NL:HR:2011:BT2295
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- E.N. Punt
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over hoorrecht bij verzet tegen bestuurlijke boete in belastingzaak
Belanghebbende kreeg een aanslag vennootschapsbelasting en een bestuurlijke boete opgelegd. Tegen de aanslag werd bezwaar gemaakt dat niet-ontvankelijk werd verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de Rechtbank, dat eveneens niet-ontvankelijk werd verklaard wegens overschrijding van de termijn en het ontbreken van een schriftelijke machtiging. Belanghebbende deed verzet tegen deze uitspraak, maar werd niet gehoord door de Rechtbank die het verzet ongegrond verklaarde.
De Hoge Raad stelt dat op grond van artikel 8:55, lid 3, Awb de rechter in een verzetprocedure tegen een boetebeschikking de belanghebbende in beginsel in de gelegenheid moet stellen te worden gehoord, tenzij het vereiste van een behoorlijk proces (artikel 6 EVRM Pro) dat niet vereist. De Rechtbank had niet vastgesteld dat belanghebbende afstand had gedaan van dit recht en had ook niet onderkend dat een boete in geding was, waardoor de uitspraak niet in stand kan blijven.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond, vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van het hoorrecht. Tevens wordt de Staat veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van het hoorrecht.