ECLI:NL:HR:2011:BT2216

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02369
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Wet IB ’64Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslag vennootschapsbelasting bij zetelverplaatsing pensioen BV

Belanghebbende, een BV die in 1993 werd opgericht, nam toen een pensioenverplichting over van Beheer BV, waarin A en zijn broer elk de helft van de aandelen hielden. A was directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende. De pensioenverplichting werd overgedragen samen met het pensioenkapitaal. Later deed A afstand van zijn pensioenrechten.

De Rechtbank Haarlem vernietigde een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over 1993, die door de Inspecteur was gehandhaafd. Het Hof Amsterdam bevestigde dit oordeel. De discussie betrof vooral de waardering van de pensioenverplichting op het moment van overdracht en zetelverplaatsing van belanghebbende naar de Nederlandse Antillen.

De Hoge Raad oordeelde dat het prijsgeven van pensioenrechten afhankelijk was van de overdracht van de pensioenverplichting en dat het onaannemelijk was dat A ook jegens Beheer BV zou afzien van zijn rechten. Het Hof had terecht geoordeeld dat bij de waardering van de pensioenverplichting geen rekening hoefde te worden gehouden met het latere afzien van pensioenrechten. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bevestigd.

Uitspraak

nr. 10/02369
23 september 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 april 2010, nr. P08/00702, betreffende een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het jaar 1993 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 07/5575) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. A hield de helft van de aandelen in B B.V. (hierna: Beheer BV). De andere helft van de aandelen was in handen van zijn broer C. Beheer BV heeft aan beide broers een pensioen toegezegd en de opbouw van het daarvoor benodigde kapitaal geschiedde in eigen beheer.
3.1.2. Op l0 november l993 is belanghebbende opgericht. A is vanaf de oprichting directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende.
3.1.3. Belanghebbende heeft op 22 november l993 de pensioenverplichting jegens A(hierna: de pensioenverplichting) van Beheer BV overgenomen. Beheer BV heeft daartegenover het door haar gevormde pensioenkapitaal aan belanghebbende overgedragen.
3.1.4. Vanaf 21 december l993 was belanghebbende, tot die datum gevestigd in Nederland, gevestigd te Q, Nederlandse Antillen.
3.1.5. Bij brief van 4 december l996 heeft A belanghebbende meegedeeld dat hij afstand doet van zijn pensioenrechten.
3.1.6. In januari 1997 heeft belanghebbende haar vestigingsplaats teruggebracht naar Nederland.
3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil de waarde van de pensioenverplichting ten tijde van de overbrenging van haar vestigingsplaats naar Q en ten tijde van de overdracht door Beheer BV aan belanghebbende.
3.3. Het Hof heeft, daarbij het oordeel van de Rechtbank volgend, onder meer geoordeeld dat het prijsgeven van de pensioenrechten afhankelijk was van de overdracht van de pensioenverplichting aan belanghebbende en dat het onaannemelijk is dat A ook jegens Beheer BV zou afzien van zijn pensioenrechten, aangezien hij slechts een belang van 50 percent bezat in die vennootschap. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat niet aannemelijk is dat reeds ten tijde van de overdracht van de pensioenverplichting door Beheer BV sprake was van een voornemen van A om af te zien van zijn pensioenrechten. Het Hof heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat bij de bepaling van het bedrag van de pensioenverplichting bij overname door belanghebbende (nog) geen rekening behoeft te worden gehouden met de kans op
afzien van de pensioenrechten.
3.4. Het tweede middel komt tegen deze oordelen op met - kort weergegeven - het betoog dat, omdat de overdracht van de pensioenverplichting door Beheer BV aan belanghebbende - naar het oordeel van het Hof - onderdeel vormde van een samenhangend geheel van rechtshandelingen waarvan ook het afzien van de pensioenrechten deel uitmaakte, het bedrag dat ter zake van de overname van de pensioenverplichting aan belanghebbende is betaald op dezelfde grond evenzeer moet worden gecorrigeerd.
3.5.1. Het hiervoor in 3.3 vermelde oordeel van het Hof dat het prijsgeven van de pensioenrechten afhankelijk was van de overdracht van de pensioenverplichting aan belanghebbende en dat het onaannemelijk is dat A ook jegens Beheer BV zou afzien van zijn pensioenrechten moet aldus worden verstaan dat A nimmer de intentie heeft gehad door af te zien van zijn pensioenrechten Beheer BV te bevoordelen. Aldus verstaan geeft de hiervoor in 3.3 vermelde gevolgtrekking van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan deze, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij behoefde ook geen nadere motivering. Het tweede middel faalt in zoverre.
3.5.2. Voor zover het tweede middel opkomt tegen het hiervoor in 3.3 vermelde oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is dat reeds ten tijde van de overdracht van de pensioenverplichting door Beheer BV sprake was van een voornemen van A om af te zien van zijn pensioenrechten, kan het niet tot cassatie leiden, aangezien het oordeel van het Hof dat bij de bepaling van het bedrag van de pensioenverplichting bij overname door belanghebbende (nog) geen rekening behoeft te worden gehouden met de kans op afzien van de pensioenrechten, reeds wordt gedragen door het oordeel van het Hof dat het prijsgeven van de pensioenrechten afhankelijk was van de overdracht van de pensioenverplichting aan belanghebbende. Het middel faalt dus ook in zoverre.
3.6. De middelen 1 en 3 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu deze middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C.B. Bavinck als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2011.