ECLI:NL:HR:2011:BT2084

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02846
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359.2 SvArt. 365a SvArt. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest valsheid in geschrifte VAR-formulieren medeplegen

De Hoge Raad heeft op 8 november 2011 het arrest van het Gerechtshof Arnhem vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting. De verdachte werd ten laste gelegd dat hij samen met een medeverdachte valse VAR-formulieren heeft opgemaakt door onterecht 'JA' in te vullen bij de vraag of een BTW-nummer was afgegeven, terwijl dat niet het geval was.

Het hof had het opzet van de verdachte bewezen verklaard en het medeplegen vastgesteld op basis van verklaringen van verdachte en medeverdachte. De verdediging voerde aan dat verdachte mocht vertrouwen op medeverdachte en dat het niet uitmaakte of 'JA' of 'NEE' werd ingevuld, maar dit werd verworpen door het hof.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof toereikend had gemotiveerd waarom het opzet bewezen was, en dat de stelling dat de strafmotivering tekort zou schieten omdat de bewezenverklaarde periode ruimer was dan het tijdvak van de feiten, geen steun vindt in het recht.

Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, waardoor de Hoge Raad de opgelegde taakstraf van 100 uren vermindert tot 95 uren en de vervangende hechtenis tot 47 uren. Het beroep werd verder verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest, vermindert de taakstraf en vervangende hechtenis wegens termijnoverschrijding en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

8 november 2011
Strafkamer
nr. 09/02846
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 8 juli 2009, nummer 21/002855-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.P. Nan, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1. Het middel klaagt erover dat het Hof ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van een namens de verdachte voorgedragen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake het tenlastegelegde opzet.
2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"2. verdachte op tijdstippen in de periode van 1 mei 2004 tot en met 8 november 2004, in de gemeente West Maas en Waal en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander formulieren Aanvraag Verklaring Arbeidsrelatie (VAR-verklaring), welk formulier in gebruik is bij de belastingdienst, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte en zijn mededader telkens valselijk en in strijd met de waarheid - op formulieren Aanvraag Verklaring Arbeidsrelatie - zakelijk weergegeven - bij de vraag: "Heeft u een BTW-nummer" ingevuld 'JA', terwijl er in werkelijkheid geen BTW-nummer was afgegeven, zulks met het oogmerk die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken."
2.3. Het in het middel bedoelde standpunt is door het Hof als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsvrouw van de verdachte heeft ter zitting vrijspraak bepleit van het overige deel van de tenlastelegging, omdat niet bewezen kan worden dat verdachte opzet had om de facturen of VAR-aanvragen te vervalsen, wie dan ook te benadelen en/of zichzelf of een ander te bevoordelen.
Het hof is van oordeel dat het namens de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. In het bijzonder wordt daartoe het volgende overwogen. Tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bestond zo'n nauwe en bewuste samenwerking, dat van 'medeplegen' gesproken moet worden. Mede op grond van de verklaringen van de verdachte (2e verklaring) en medeverdachte [medeverdachte] (4e verklaring) is komen vast te staan dat de verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte] op formulieren Aanvraag Verklaring Arbeidsrelatie ten behoeve van de Polen bij de vraag: "Heeft u een BTW-nummer" 'JA' heeft ingevuld, terwijl in werkelijkheid geen BTW-nummer voor de betreffende Pool was afgegeven. Uit voornoemde verklaringen is voorts gebleken dat de verdachte en [medeverdachte] wisten dat er geen BTW-nummer aan de betreffende Pool was afgegeven. Door bewust toch te vermelden dat de betreffende Pool een BTW-nummer had, hebben de verdachte en [medeverdachte] voornoemde formulieren opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid opgemaakt. Het was de bedoeling van verdachte en [medeverdachte] dat deze formulieren als echt en onvervalst door derden zouden worden gebruikt. De formulieren Aanvraag Arbeidsrelatie werden immers naar de Belastingdienst gestuurd.
Namens de verdachte is gesteld dat hij mocht vertrouwen op de informatie die [medeverdachte] hem gaf. Dit verweer gaat evenwel niet op. De verdachte heeft verder betoogd dat het niet uitmaakte of de voornoemde vraag op het formulier Aanvraag Verklaring Arbeidsrelatie met 'JA' of 'NEE' werd beantwoord. Aan deze bewering schenkt het hof geen geloof: verdachte heeft deze weinig geloofwaardige stelling niet geadstrueerd. Verdachte en [medeverdachte] hebben de vraag met 'JA' hebben beantwoord, terwijl zij wisten dat dit antwoord in strijd met de waarheid was. Het Hof acht irrelevant dat verdachte verwachtte dat de BTW-nummers binnen afzienbare tijd zouden worden afgegeven.
Evenmin slaagt het verweer van de verdachte dat de Belastingdienst op de hoogte was van het feit dat voor de betreffende Polen (nog) geen BTW-nummers waren afgegeven, omdat een BTW-nummer wordt aangevraagd bij de Belastingdienst terwijl de Belastingdienst ook een Verklaring Arbeidsrelatie afgeeft. Het feit dat iemand van de ene afdeling van de Belastingdienst van bepaalde gegevens op de hoogte is, betekent nog niet dat iemand van een andere afdeling van de Belastingdienst daarvan ook op de hoogte is. Het verweer van de verdachte dat het plaatsen van het BTW-nummer op de formulieren Aanvraag Verklaring Arbeidsrelatie louter een formaliteit was, daarmee kennelijk aangevend dat de betreffende formulieren geen bewijsbestemming hadden, wordt eveneens verworpen. Op basis van een formulier Aanvraag Verklaring Arbeidsrelatie beoordeelt de Belastingdienst immers of de aanvrager dient te worden aangemerkt als zzp'er."
2.4. Door aldus te overwegen heeft het Hof - zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting - toereikend gemotiveerd waarom het opzet van de verdachte bewezen is verklaard.
2.5. Het middel faalt.
3. Beoordeling van het vierde middel
3.1. Het middel klaagt over een ontoereikende strafmotivering omdat het Hof "een ruimere periode bewezen (heeft) verklaard dan uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, zonder daar bij de oplegging van de straf een nadere uitleg aan te geven".
3.2. Aan het middel ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat in een geval waarin de bewezenverklaarde periode ruimer is dan het tijdvak waarin de verdachte zich blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft schuldig gemaakt aan de bewezenverklaarde feiten, de rechter in het kader van de strafmotivering uitdrukkelijk rekenschap van dat verschil en de consequenties daarvan dient af te leggen. Die opvatting vindt echter geen steun in het recht.
3.3. Het middel faalt.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
vermindert het aantal uren taakstraf in die zin dat dit 95 uren bedraagt;
vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 47 uren bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 8 november 2011.