ECLI:NL:HR:2011:BT1857

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04010
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • B.C. de Savornin Lohman
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens niet-overschrijding redelijke termijn in strafzaak

In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De Hoge Raad heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld en geconcludeerd dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden. Een belangrijk punt van het beroep was de vermeende overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, met name in de cassatiefase door te late inzending van stukken door het hof.

De Hoge Raad overwoog dat de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep is afgedaan, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate is gecompenseerd. Hierdoor is er geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in de totale duur van de cassatiebehandeling. Het middel faalt daarom en het beroep wordt verworpen.

De uitspraak is gedaan door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en is uitgesproken op 8 november 2011. De Advocaat-Generaal had reeds geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Het arrest bevestigt de rechtspraak van het hof en draagt bij aan de rechtsontwikkeling omtrent de toepassing van de redelijke termijn in cassatieprocedures.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

8 november 2011
Strafkamer
nr. 10/04010
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 31 augustus 2010, nummer 23/003389-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Midden Holland, locatie Haarlem" te Haarlem.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het derde middel
3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2. Nu de Hoge Raad de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan - wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie - niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
3.3. Het middel faalt derhalve.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 8 november 2011.