ECLI:NL:HR:2011:BT1795

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02845
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359a Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing van vormverzuimverweer bij strafoplegging

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor het met geweld dwingen van het slachtoffer tot seksuele handelingen op 4 april 2009.

Verdachte voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van een ernstig vormverzuim vanwege de lange periode tussen de aangifte en zijn aanhouding, waardoor hij niet tijdig camerabeelden kon opvragen ter ondersteuning van zijn verdediging. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat de politie terecht eerst nader onderzoek verrichtte en niet lichtvaardig tot aanhouding overging, waardoor geen grove veronachtzaming van verdachtes belangen had plaatsgevonden.

De Hoge Raad stelde vast dat het hof het toetsingskader voor vormverzuimen onjuist had toegepast door het verweer te beoordelen alsof het strekte tot niet-ontvankelijkheid van het OM, terwijl het hier ging om een verweer dat tot strafvermindering strekte. Desondanks achtte de Hoge Raad het oordeel van het hof begrijpelijk en niet onredelijk, omdat het hof aannemelijk achtte dat er geen sprake was van een onredelijke vertraging of vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.

Het cassatieberoep werd daarom verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; geen sprake van ernstig vormverzuim dat strafvermindering rechtvaardigt.

Uitspraak

15 november 2011
Strafkamer
Nr. 10/02845
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 april 2010, nummer 20/003401-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1976, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt over 's Hofs verwerping van het verweer dat sprake is geweest van een vormverzuim dat tot strafvermindering dient te leiden. De klacht luidt dat het Hof het aan te leggen toetsingskader heeft miskend.
2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 4 april 2009 in Nederland, door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis en zijn tong in de mond geduwd/gebracht van [slachtoffer] en bestaande dat geweld hierin dat verdachte [slachtoffer] met kracht in de stoel van de personenauto heeft geduwd/gehouden en haar neus heeft dichtgeknepen en haar (met kracht) in de borst en tepel heeft geknepen en (aldus) voor [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan."
2.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Met betrekking tot de strafoplegging is van de zijde van verdachte het verweer gevoerd dat er sprake is geweest van een ernstig vormverzuim, hetgeen dient te leiden tot een matiging van de op te leggen straf. Door de raadsvrouw van verdachte is te dien aanzien het volgende aangevoerd.
Verdachte is eerst twee en een halve maand na het doen van aangifte aangehouden, terwijl zijn gegevens bij de politie binnen enkele dagen na het beweerdelijk begane feit bekend waren. In de tussengelegen periode is er geen nader opsporingsonderzoek verricht naar de persoon van verdachte en ook de getuigen zijn pas na geruime tijd, te weten in mei en juni, door de politie gehoord. Door zo te lang wachten met de aanhouding van verdachte, te weten tot 15 juli 2009, is hem de mogelijkheid ontnomen de eventueel voorhanden zijnde camerabeelden op te vragen teneinde zijn stelling, dat hij wel degelijk op de Bosschendijk bij het Chinese restaurant zijn auto had geparkeerd en dat de verklaring van het slachtoffer dat hij naar een afgelegen plek in het bos was gereden derhalve niet juist is, te staven. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat dergelijke beelden doorgaans slechts korte tijd worden bewaard.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof is van oordeel dat er geen sprake is geweest van een ernstige schending van beginselen van een goede procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen is tekort gedaan aan diens recht op een eerlijk proces. De omstandigheid dat de politie niet lichtvaardig tot aanhouding van de verdachte is overgegaan, maar eerst nader onderzoek heeft willen verrichten naar de juistheid van hetgeen door aangeefster was verklaard, is naar het oordeel van het hof in zaken als de onderhavige begrijpelijk. In elk geval is niet aannemelijk dat de politie doelbewust met de aanhouding van verdachte heeft gewacht, teneinde hem in zijn verdedigingsbelang te schaden. Het verweer wordt verworpen."
2.4. Nu het op art. 359a Sv gestoelde verweer onmiskenbaar strekte tot strafvermindering stond, anders dan het Hof heeft geoordeeld, niet ten toets of sprake was van een ernstige schending van beginselen van een goede procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces is tekortgedaan. Die maatstaf geldt uitsluitend indien ten verwere is aangevoerd dat een vormverzuim als bedoeld in
art. 359a Sv dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Het middel klaagt terecht dat het Hof dat heeft miskend.
Tot cassatie behoeft dat niet te leiden. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof het immers begrijpelijk geacht dat de politie niet lichtvaardig tot aanhouding van de verdachte is overgegaan, maar eerst nader onderzoek heeft willen verrichten naar de juistheid van hetgeen door de aangeefster was verklaard. In dat - in cassatie niet bestreden - oordeel van het Hof ligt besloten dat van de gestelde onredelijke vertraging van het opsporingsonderzoek en daarmee van enig vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv geen sprake is geweest. Het middel is vruchteloos voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en
W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 15 november 2011.