ECLI:NL:HR:2011:BT1795
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.A.M. van Schendel
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing van vormverzuimverweer bij strafoplegging
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor het met geweld dwingen van het slachtoffer tot seksuele handelingen op 4 april 2009.
Verdachte voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van een ernstig vormverzuim vanwege de lange periode tussen de aangifte en zijn aanhouding, waardoor hij niet tijdig camerabeelden kon opvragen ter ondersteuning van zijn verdediging. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat de politie terecht eerst nader onderzoek verrichtte en niet lichtvaardig tot aanhouding overging, waardoor geen grove veronachtzaming van verdachtes belangen had plaatsgevonden.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof het toetsingskader voor vormverzuimen onjuist had toegepast door het verweer te beoordelen alsof het strekte tot niet-ontvankelijkheid van het OM, terwijl het hier ging om een verweer dat tot strafvermindering strekte. Desondanks achtte de Hoge Raad het oordeel van het hof begrijpelijk en niet onredelijk, omdat het hof aannemelijk achtte dat er geen sprake was van een onredelijke vertraging of vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
Het cassatieberoep werd daarom verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; geen sprake van ernstig vormverzuim dat strafvermindering rechtvaardigt.