ECLI:NL:HR:2011:BT1663
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte in cassatie wegens ontbreken schriftuur houdende middelen
Op 22 november 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 27 januari 2010. Verdachte heeft het beroep in cassatie ingesteld, maar heeft geen schriftuur houdende middelen van cassatie door een raadsman binnen de wettelijke termijn ingediend. Hierdoor is niet voldaan aan het vereiste van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep. De Hoge Raad volgt dit advies en verklaart verdachte niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk wordt behandeld.
Het arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en de raadsheren M.A. Loth en Y. Buruma, en uitgesproken op 22 november 2011. Hiermee wordt bevestigd dat het ontbreken van schriftuur houdende middelen binnen de gestelde termijn een dwingende ontvankelijkheidsvereiste is in cassatieprocedures.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het ontbreken van schriftuur houdende middelen binnen de wettelijke termijn.