ECLI:NL:HR:2011:BS8235
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Herziening veroordeling wegens verblijf als ongewenst vreemdeling na intrekking verblijfsvergunning
De Hoge Raad heeft op 13 september 2011 uitspraak gedaan in een zaak waarin herziening werd gevraagd van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage uit december 2009. De aanvrager was veroordeeld voor diefstal en het verblijven als ongewenst vreemdeling in Nederland. De herzieningsaanvraag betrof uitsluitend de veroordeling wegens het verblijf als ongewenst vreemdeling.
De aanvraag berustte op het feit dat de aanvrager niet tot ongewenst vreemdeling had kunnen worden verklaard omdat de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ten onrechte had plaatsgevonden. De Immigratie- en Naturalisatiedienst had bevestigd dat de intrekking van de vergunning in 2000 onterecht was en dat de beschikking tot ongewenstverklaring van november 2007 moest worden beschouwd als nooit gegeven.
De Hoge Raad oordeelde dat dit een omstandigheid was als bedoeld in art. 457 Sv Pro, die tot herziening kan leiden. Daarom verklaarde hij de aanvraag gegrond, schortte zonodig de tenuitvoerlegging van het arrest op en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor nieuwe berechting en beslissing, waarbij het hof de straf kan handhaven of vernietigen en de straf kan bepalen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal onderschreef dit oordeel. De Hoge Raad wees erop dat het hof, indien het op de hoogte was geweest van de intrekking van de beschikking tot ongewenstverklaring, de aanvrager waarschijnlijk zou hebben vrijgesproken van het ten laste gelegde feit van verblijf als ongewenst vreemdeling.
Uitkomst: Herzieningsverzoek gegrond verklaard en zaak verwezen naar Gerechtshof Amsterdam voor nieuwe berechting.