ECLI:NL:HR:2011:BS1715
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 25 oktober 2011 uitspraak gedaan over een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden, waardoor de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden. Dit leidde tot de vernietiging van het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de strafoplegging. De straf werd verminderd naar zeven maanden en drie weken, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De overige gronden van het cassatieberoep werden verworpen. De Hoge Raad vond geen reden om het arrest ambtshalve te vernietigen. Hiermee werd het beroep voor het overige afgewezen en bleef de veroordeling in stand, behoudens de strafvermindering.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeven maanden en drie weken, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens overschrijding van de redelijke termijn.