ECLI:NL:HR:2011:BR6602

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03491 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 437 SvArt. 511h SvArt. 511i SvArt. 557 Sv
Verwijzingen
13 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in cassatie tegen ontnemingsvordering

Betrokkene stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat van betrokkene diende een schriftuur in met een middel van cassatie. De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkheid.

De Hoge Raad oordeelde dat alleen middelen van cassatie die een duidelijke klacht over rechtsregel- of vormverzuim bevatten, voor onderzoek in aanmerking komen. De ingediende schriftuur voldeed hier niet aan omdat deze gericht was op vernietiging van de bestreden uitspraak enkel indien het cassatiemiddel in de hoofdzaak gegrond zou worden bevonden. Tevens werd gewezen op wettelijke bepalingen die de tenuitvoerlegging en verval van ontnemingsvorderingen regelen.

Verder stelde de Hoge Raad vast dat betrokkene niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman een schriftuur met middelen van cassatie had ingediend, waardoor niet was voldaan aan art. 437 lid 2 Sv Pro in verbinding met art. 511h Sv. Hierdoor kon betrokkene niet ontvankelijk worden verklaard in het cassatieberoep.

De Hoge Raad verklaarde betrokkene derhalve niet-ontvankelijk en wees het beroep af. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer op 25 oktober 2011.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet-naleving van wettelijke termijnen en vormvereisten.

Uitspraak

25 oktober 2011
Strafkamer
nr. 09/03491 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 juli 2009, nummer 20/003526-08, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de betrokkene in zijn beroep.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de schriftuur en de ontvankelijkheid van het beroep
2.1. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.
Zij is immers gericht op vernietiging van de bestreden uitspraak voor het geval dat het cassatiemiddel in de hoofdzaak gegrond zou worden bevonden en ziet in zoverre eraan voorbij dat ingevolge het vierde lid van art. 557 Sv Pro een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie, als bedoeld in art. 36e Sr, eerst kan worden tenuitvoergelegd nadat en voor zover de veroordeling, als bedoeld in art. 36e, eerste lid, Sr, in kracht van gewijsde is gegaan, terwijl ingevolge art. 511i Sv een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in art. 36e Sr van rechtswege vervalt doordat en voor zover de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte, als bedoeld in art. 36e, eerste lid, Sr, achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat. Opmerking verdient bovendien dat de rechter in voorkomende gevallen op grond van art. 577b, tweede lid, Sv het te betalen bedrag kan verminderen of kwijtschelden. (Vgl. HR 8 februari 2011, LJN BM8030).
2.2. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv in verbinding met art. 511h Sv, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 25 oktober 2011.