ECLI:NL:HR:2011:BR2096
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte in cassatie wegens niet tijdig indienen middelen
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De verdachte was gedetineerd ten tijde van de aanzegging en werd bij de Hoge Raad vertegenwoordigd. Echter heeft de verdachte niet binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman schriftelijke middelen van cassatie ingediend, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaard moet worden in het beroep. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk is behandeld en het arrest van het gerechtshof in stand blijft.
De uitspraak is gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 27 september 2011, waarbij de vice-president F.H. Koster als voorzitter en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen het arrest hebben gewezen.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van schriftelijke middelen.