ECLI:NL:HR:2011:BR0198

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01314 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 8 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens gebrek aan nieuwe feiten

De aanvrager verzocht de Hoge Raad om herziening van een arrest van het Gerechtshof Arnhem uit 2002, waarin hij was veroordeeld voor een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof had hem een geldboete opgelegd, met een subsidiaire hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid.

De Hoge Raad beoordeelde het herzieningsverzoek aan de hand van artikel 457 Sv Pro, dat vereist dat nieuwe feitelijke omstandigheden worden aangevoerd die bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren en die het vermoeden wekken dat het onderzoek tot een andere uitkomst zou hebben geleid, zoals vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging.

De Hoge Raad stelde vast dat eerdere verzoeken tot herziening op dezelfde gronden waren afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard. Het huidige verzoek bevatte geen nieuwe feiten die aan deze criteria voldeden. Daarom kon het verzoek niet worden ontvangen.

De Hoge Raad verklaarde het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk en liet het arrest van het hof in stand.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan nieuwe feiten.

Uitspraak

5 juli 2011
Strafkamer
nr. 10/01314 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 21 maart 2002, nummer 21/002150-01, ingediend door:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle, zitting houdende te Lelystad, van 2 oktober 2001 - de aanvrager ter zake van "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van € 450,-, subsidiair 9 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Bij beslissingen van de Hoge Raad van 15 mei 2007, nr. 01925/05 H en van 30 september 2008, nr. 07/12830 H zijn eerdere aanvragen tot herziening van het arrest van het Hof afgewezen onderscheidenlijk niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover de aanvrage steunt op dezelfde gronden die in genoemde beslissingen van 15 mei 2007 en 30 september 2008 ongenoegzaam zijn geoordeeld, kan zij niet worden ontvangen. Voor het overige kan hetgeen in de aanvrage is aangevoerd niet worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden welke een ernstig vermoeden wekken als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2º, Sv, zodat zij ook in zoverre niet kan worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 5 juli 2011.