ECLI:NL:HR:2011:BQ9061
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.R. Leemreis
- C.B. Bavinck
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring cassatie tegen weigering bedrijfsfusiefaciliteit bij overdracht klantenbestand
Belanghebbende, een administratie- en belastingadvieskantoor, droeg per 1 januari 2004 haar klantenbestand over aan een nieuw opgerichte coöperatie (G UA) in ruil voor lidmaatschapsbewijzen. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting op over 2003, welke na bezwaar werd verminderd, maar door rechtbank en hof werd bevestigd. Het hof oordeelde dat de overdracht niet voldeed aan de voorwaarden van de bedrijfsfusiefaciliteit omdat de tegenprestatie niet gelijkwaardig was en dat de Fusierichtlijn niet van toepassing was op coöperaties ten tijde van de overdracht.
In cassatie stelde belanghebbende dat de bedrijfsfusiefaciliteit wel van toepassing moest zijn en dat de Fusierichtlijn bescherming bood. De Hoge Raad verwierp deze middelen, overwegende dat het lidmaatschapsrecht slechts een 10 procent belang vertegenwoordigde, onvoldoende voor toepassing van artikel 14 Wet Pro Vpb 1969. Ook werd bevestigd dat de overdrachtswinst tot de winst van 2003 behoort, omdat de werkzaamheden na dat jaar niet meer door belanghebbende werden verricht.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde daarmee het oordeel van het hof. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof bevestigd.