ECLI:NL:HR:2011:BQ8871

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/05436
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling draagkracht bij alimentatieplicht: inkomen nieuwe partner niet meewegen

In deze zaak stond de vraag centraal of het inkomen van de nieuwe partner van de alimentatieplichtige moet worden betrokken bij de berekening van diens draagkracht voor alimentatie. De vrouw, verzoekster tot cassatie, stelde dat dit inkomen wel meegewogen diende te worden. De rechtbank en het gerechtshof hadden echter geoordeeld dat in dit specifieke geval het inkomen van de nieuwe partner niet in de draagkrachtberekening hoefde te worden meegenomen.

De vrouw stelde beroep in cassatie in tegen de beschikking van het gerechtshof, maar de Hoge Raad verwierp het cassatieberoep op grond van artikel 81 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De Hoge Raad vond dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat het niet verplicht is het inkomen van de nieuwe partner van de alimentatieplichtige mee te nemen in de draagkrachtberekening, mits dit oordeel deugdelijk is gemotiveerd. De beschikking werd gegeven door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken door raadsheer J.C. van Oven.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel dat het inkomen van de nieuwe partner niet hoeft te worden meegewogen in de draagkracht wordt bevestigd.

Uitspraak

16 september 2011
Eerste Kamer
10/05436
DV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J.F.M. van Weegberg,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 91479/FA RK 08-1492 van de rechtbank Leeuwarden van 21 januari 2009 en 8 april 2009;
b. de beschikking in de zaak 200.038.259 van het gerechtshof te Leeuwarden van 30 september 2010.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO Pro.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter, en de raadsheren J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 16 september 2011.