ECLI:NL:HR:2011:BQ8100

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01450
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 7:625 BW
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onrechtmatigheid ontslag op staande voet zonder dringende reden

In deze zaak stond centraal de vraag of het ontslag op staande voet door de werkgever gerechtvaardigd was. Eiseres werd ontslagen zonder dat er sprake was van een dringende reden. De kantonrechter en het gerechtshof Amsterdam oordeelden dat het ontslag onrechtmatig was en veroordeelden de werkgever tot doorbetaling van loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro.

Eiseres stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep echter verworpen op grond van artikel 81 van Pro de Wet op de Rechterlijke Organisatie, omdat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraken en veroordeelde eiseres in de kosten van het cassatiegeding. Dit arrest onderstreept het belang van een dringende reden voor ontslag op staande voet en bevestigt de bescherming van werknemers tegen onrechtmatig ontslag.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het ontslag op staande voet zonder dringende reden blijft onrechtmatig met verplichting tot doorbetaling van loon.

Uitspraak

16 september 2011
Eerste Kamer
10/01450
DV/RA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. K.G.W. van Oven,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak CV 07-4361 van de kantonrechter te Amsterdam van 23 april 2007, 10 maart 2008 en 16 juni 2008;
b. het arrest in de zaak 200.010.416/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 22 december 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO Pro.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 385,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 16 september 2011.