ECLI:NL:HR:2011:BQ6105
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onvoldoende bewijs voor wetenschap van uitkeringsfraude
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem waarin hij werd veroordeeld voor het trekken van voordeel uit een door valsheid in geschrift verkregen uitkering van zijn partner. Het hof had geoordeeld dat verdachte wetenschap had van de frauduleuze aard van de uitkering en dat hij voordeel had getrokken uit de gezamenlijke huishouding die deels werd bekostigd met deze uitkering.
De Hoge Raad beoordeelde het middel van cassatie dat betoogde dat uit de gebruikte bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat verdachte wist dat de uitkering frauduleus was verkregen. De Hoge Raad concludeerde dat de bewezenverklaring onvoldoende naar de eis der wet was gemotiveerd en dat het hof niet voldoende had vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de frauduleuze herkomst van de uitkering.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem om opnieuw te worden berecht en afgedaan op het bestaande hoger beroep. De uitspraak werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 13 september 2011.
Uitkomst: Het arrest van het hof Arnhem wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.