ECLI:NL:HR:2011:BQ5858
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring poging tot zware mishandeling van zwangere dochter
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 juli 2009, waarin verdachte werd veroordeeld voor poging tot zware mishandeling van zijn zwangere dochter. Op 18 januari 2008 had verdachte zijn dochter met kracht in de buik getrapt in een abortuskliniek te Leiden, terwijl zij zwanger was.
De bewezenverklaring steunde op meerdere bewijsmiddelen, waaronder de eigen verklaring van verdachte, verklaringen van getuigen en politieprocessen-verbaal. Getuigen bevestigden het incident en beschreven de situatie in de kliniek, waarbij ook de emotionele toestand van de betrokkenen werd geschetst.
De verdediging voerde aan dat onvoldoende bewijs bestond voor de bewezenverklaring en stelde dat verdachte niet de intentie had om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, maar slechts een trap tegen de billen wilde geven. Het hof kwalificeerde het feit echter als poging tot zware mishandeling.
In cassatie stelde verdachte dat het hof onterecht tot bewezenverklaring en kwalificatie was gekomen. De Hoge Raad oordeelde dat nieuwe feiten en omstandigheden niet voor het eerst in cassatie kunnen worden ingebracht en dat het hof zonder onjuiste rechtsopvatting tot zijn oordeel kon komen op basis van het gebezigde bewijs.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de veroordeling voor poging tot zware mishandeling definitief werd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bewezenverklaring en kwalificatie van poging tot zware mishandeling.