ECLI:NL:HR:2011:BQ4813

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00715 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe omstandigheden

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarbij de aanvrager was veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en mishandeling. De Hoge Raad beoordeelde of het verzoek voldeed aan de voorwaarden van artikel 457 lid 1 sub Pro 2 Sv, dat vereist dat het verzoek steunt op nieuwe feitelijke omstandigheden die bij het eerdere onderzoek niet bekend waren en die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek anders zou zijn verlopen.

De aanvrage bevatte echter geen nieuwe feiten of omstandigheden die aan deze criteria voldeden. De Hoge Raad stelde vast dat het verzoek niet de vereiste opgave van bewijsmiddelen bevatte die de nieuwe omstandigheden zouden ondersteunen, zoals voorgeschreven in artikel 459 Sv Pro. Hierdoor kon het verzoek niet worden ontvangen.

De Hoge Raad verklaarde het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de eerdere veroordeling tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 17 mei 2011.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van nieuwe omstandigheden.

Uitspraak

17 mei 2011
Strafkamer
nr. S 11/00715
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 juli 2009, nummer 22/006355-08, ingediend door:
[Aanvrager], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep bevestigd een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 28 november 2008 waarbij de aanvrager ter zake van "poging tot zware mishandeling" en "mishandeling" is veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van 2 jaren.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 17 mei 2011.