ECLI:NL:HR:2011:BQ2494
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Herziening wegens toepassing minder zware strafbepaling voor minderjarige verdachte
De Hoge Raad behandelde op 4 oktober 2011 een herzieningsaanvraag tegen een vonnis van de Politierechter te Zwolle-Lelystad van 6 november 2006. De verdachte was veroordeeld voor het plegen van openbaar geweld in vereniging en kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf opgelegd.
De herzieningsaanvraag berustte op de stelling dat de verdachte minderjarig was ten tijde van het bewezenverklaarde feit, hetgeen niet bekend was bij de Politierechter. De aangeleverde stukken, waaronder een uittreksel uit het Turkse bevolkingsregister en een aanvraagformulier voor een identiteitskaart, ondersteunden dit feit.
De Hoge Raad oordeelde dat deze omstandigheid een minder zware strafbepaling inhoudt in de zin van artikel 457, eerste lid, aanhef en onder 2°, Wetboek van Strafvordering. Hierdoor was er een ernstig vermoeden dat de Politierechter, indien op de hoogte van de minderjarigheid, de bijzondere bepalingen voor jeugdige personen zou hebben toegepast.
De Hoge Raad verklaarde de herzieningsaanvraag gegrond, schortte zo nodig de tenuitvoerlegging van het vonnis op en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem voor hernieuwde behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling.