ECLI:NL:HR:2011:BQ2306
Hoge Raad
- Cassatie
- F.B. Bakels
- W.D.H. Asser
- C.E. Drion
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenbeschikking in echtscheidings- en verdelingsprocedure
De zaak betreft een cassatieberoep van een vrouw tegen een beschikking van het hof Amsterdam in een gecombineerde echtscheidings- en verdelingsprocedure. De rechtbank had in één beschikking uitspraak gedaan over de echtscheiding en de verdeling van het huwelijksvermogen, waarbij de verdeling deels was aangehouden. De vrouw was het niet eens met het oordeel dat de aandelen van de man in een autobedrijf niet tot het te verrekenen vermogen behoren.
Zij stelde cassatieberoep in tegen het deel van de beschikking dat de aandelen betrof, maar dit oordeel was gegeven in een tussenbeschikking. Volgens de Hoge Raad kan tegen een tussenbeschikking alleen cassatieberoep worden ingesteld tegelijk met dat van de eindbeschikking, tenzij de rechter anders bepaalt. De rechtbank had wel toestemming gegeven voor tussentijds appel, maar dit houdt niet in dat ook tussentijds cassatieberoep is toegestaan.
Omdat het cassatierekest geen klachten bevatte tegen de bekrachtiging van de deelbeschikking in de echtscheidingsprocedure, maar alleen tegen het deel over de aandelen, verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Dit volgt uit vaste rechtspraak en de toepasselijke artikelen 401a en 426 Rv.
De uitspraak werd gedaan door de raadsheren Bakels, Asser, Drion en uitgesproken door Van Oven op 9 september 2011.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van toestemming voor tussentijds cassatieberoep tegen een tussenbeschikking.