ECLI:NL:HR:2011:BQ1999
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest hof inzake ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel met benadeelde derden
De zaak betreft een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd afgewezen. Het hof motiveerde deze afwijzing onder meer met het argument dat toewijzing de positie van individuele benadeelden en andere schuldeisers negatief zou beïnvloeden doordat de Staat als concurrente schuldeiser zou optreden.
De Hoge Raad herhaalt in zijn arrest de relevante overwegingen uit een eerder arrest (LJN ZC9560) en benadrukt dat het hof het wettelijke kader van artikel 36e Wetboek van Strafrecht onjuist heeft toegepast. De Hoge Raad stelt dat de ontnemingsmaatregel primair gericht is op het bestrijden van op winst gerichte criminaliteit en dat rekening gehouden moet worden met benadeelde derden bij de vaststelling van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte het belang van individuele benadeelden en de maatschappelijke ratio van de ontnemingsmaatregel tegen elkaar heeft afgewogen en dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de ontnemingsvordering moest worden afgewezen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting volgens het juiste juridische kader.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting van de ontnemingsvordering.